. .




Jozua 7 : 2-4
2 Die mannen nu trokken op en bespiedden Ai.
3 Daarna keerden zij weder naar Jozua, en zeiden tot hem: Dat het ganse volk niet optrekke, dat er omtrent twee duizend mannen, of omtrent drie duizend mannen optrekken, om Ai te slaan; vermoei daarheen al het volk niet; want zij zijn weinige.
4 Alzo trokken derwaarts op van het volk omtrent drie duizend man; dewelke vloden voor het aangezicht der mannen van Ai.






























Filippensen 3 : 14
Maar één ding doe ik, vergetende, hetgeen achter is, en strekkende mij tot hetgeen voor is, jaag ik naar het wit, tot den prijs der roeping Gods, die van boven is in Christus Jezus.


Pagina: 4 - < Vorige | 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | > Volgende


De strijd na Jericho
Jericho is gevallen.
De stad, die de sleutel is voor het in bezit nemen van het land Kanaän, is door God in Israëls hand gegeven. Maar voor de verdere inname van Kanaän zal het volk moeten strijden.
Gelukkig weten we uit het boek Jozua dat de Heere steeds Zijn belofte herhaalt, dat Hij de Kanaänieten in hun hand zal geven, maar ze moeten wel zelf optrekken.
Ze moeten steeds zelf in actie komen.
Het land ligt open voor hen, maar er zijn nog veel vijanden die verslagen moeten worden.

Vanuit overlevering weten we dat de kinderen van God vroeger tegen pas bekeerden zeiden: Welkom in de strijd!
Zo zie ik hier de paralel met de strijd na Jericho. Het land ligt open, maar nu moet Ai worden ingenomen. Er volgt strijd. De overwinning is door Gods beloftes zeker, maar in ons hart zitten nog vijanden die moeten worden verslagen. We zullen ten strijde moeten. We moeten onze oude natuur doden om in een nieuw Godzalig leven te wandelen.

Het volk gaat ten strijde, maar direkt zien we al dat ze het beter weten dan de Heere. Ze gaan met slechts drieduizend man en worden verslagen. Zo gaat het ook als wij in eigen kracht en niet met volle inzet ten strijde trekken. We kunnen alleen met succes tegen de vijand strijden als we dat doen in afhankelijkheid van God en met volle inzet.

Dan komt Gibeon.
Door een list mogen de inwoners van die stad blijven leven. Zij worden daarna gebruikt om dienstbaar te zijn. Jozua maakte hen tot houthakkers en waterputters voor de vergadering en voor het altaar des HEEREN.
Vijanden van vroeger worden dienstbaar voor ons en voor onze dienst aan God. Ik denk hierbij aan de 'ijver' van Saulus toen hij de eerste christenen vervolgde. Diezelfde 'ijver' werd later door Paulus gebruikt om het Evangelie van Gods genade te verkondigen.

Hierin zit toch wel een geweldige troost. Als Paulus na zijn bekering steeds stil zou zijn blijven staan bij hetgeen hij als Saulus in zijn leven gedaan had, dan zou hij niet de Paulus zijn geworden zoals wij die uit de bijbel kennen.
Als zijn verleden hem steeds met een beschuldigende vinger had aangewezen, dan zou hij uiteindelijk gezegd hebben: 'Ik zie het niet meer zitten'. Paulus heeft zijn verleden, zijn zonden van eertijds, bij Jezus gebracht in de wetenschap en in het geloof dat al zijn zonden zijn weggewassen in het bloed van Jezus. Vergeten heeft hij het nooit, maar de genade van God was vele malen groter dan zijn zonden. Ze zijn door en voor God weggedaan in de zee van eeuwige vergetelheid en in die zee heeft God (met alle eerbied gesproken) een bord gezet: Verboden viswater! Daardoor zegt Paulus in Filippensen 3: vergetende hetgeen achter is.
Er zijn eigenschappen, karaktertrekken, materiële zaken en/of andere dingen in jouw en mijn leven, die we eertijds gebruikt hebben in de dienst aan satan, die we nu door Gods genade mogen, ja sterker nog, moeten gebruiken in Zijn dienst, zonder steeds naar dat verleden terug te zien. Vergeten we het verleden dan? Nee dat niet, het houdt ons op onze plaats. Maar we moeten verder om, vanuit Gods genade, een vruchtbaar leven te leiden.


Pagina: 4 - < Vorige | 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | > Volgende

www.bekering.nl